Gesprek met Gemma Gerrits, coördinator participatie


De ‘participatiesamenleving’ is inmiddels een geijkt begrip. De rol van Woonpunt is sinds enkele jaren veranderd van uitvoerder naar aanjager. Inmiddels geven onze medewerkers in vele projecten en samenwerkingsverbanden ondersteuning aan huurders die zichzelf en hun buurtgenoten willen helpen. Hoe gaat dat in de praktijk? En wat zou nog beter kunnen? Een gesprek met Gemma Gerrits, coördinator participatie. ‘Het kan niet zo zijn dat een huurder klaagt over zijn buurt en zelf geen enkele verantwoordelijkheid neemt.’

'Trots op projecten waarbij we het minst hebben gedaan.'

Kun je uitleggen waarom het belangrijk is dat juist een woningcorporatie zich inzet voor de participatiesamenleving en de zelfredzaamheid van huurders?

‘Een huurder kiest niet alleen voor een woning, maar voor een woning in een bepaalde buurt. Als buurten achteruit gaan, hebben wij daar last van. Dan krijgen we leegstand en verloedering. We investeren dus niet alleen in leefbaarheid vanwege het maatschappelijk belang, maar ook vanuit eigenbelang. Een buurt waarin mensen elkaar durven aanspreken, waarin bewoners zich samen verantwoordelijk voelen voor hoe de straat eruit ziet, waarin de voortuinen er netjes bijliggen, is meer in trek dan een buurt waarin dat niet het geval is.’


Maar laten we eerlijk zijn: het kost ook wat, al die participatiemensen en wijkbeheerders. Is dat te verantwoorden naar huurders?

‘In de Woningwet zijn de totale kosten voor leefbaarheid in principe gemaximeerd op € 125 per sociale huurwoning per jaar. Dat is nog steeds veel geld, en als jouw woningen in goede buurten en wijken liggen, waar mensen van zichzelf al zelfredzaam en betrokken zijn, dan hoef je dat bedrag als corporatie ook niet uit te geven. Wij hebben ook woningen in wijken waar mensen zich elke dag afvragen hoe ze de dag gaan doorkomen. Als je die mensen vraagt om ook verantwoordelijkheid te dragen voor hun buurtje, is dat nogal wat. Dat gaat echt niet vanzelf. We moeten onszelf wel steeds de vraag stellen wat we over hebben voor leefbare buurten, verhuurbare woningen en behoud van vastgoedwaarde.’



Een monteur repareert dingen die kapot zijn, een verhuurmedewerker bezorgt iemand een nieuwe woning. Dat is tastbaar en makkelijk in getallen uit te drukken. Hoe kijken die collega’s naar jullie werk?

‘Wij confronteren onze organisatie met het kritische geluid van de huurder. Dat wordt door iedereen verschillend ervaren. Collega’s zouden dat wat meer mogen zien als een hulpmiddel om beter te functioneren. Die kritiek of ontevredenheid die zitten er soms. Onze meerwaarde is dat we die tijdig naar boven halen zodat we er als organisatie iets mee kunnen doen. Je kunt het ook laten zitten, maar dan wordt het uiteindelijk alleen maar erger. Soms denken collega’s dat wij bewoners altijd gelijk willen geven en nooit nee durven zeggen. Maar wij zeggen vaker nee dan ja. Nee, wij kunnen dit probleem niet voor u oplossen. Nee, u kunt hier niet blijven wonen, want we gaan slopen.’



'We zeggen vaker nee dan ja.'

Woonpunt zegt: we gaan van oplossen en uitvoeren naar signaleren, activeren en verbinden. Met andere woorden: we helpen mensen zichzelf helpen en wijzen hen de weg. Is dat in de praktijk wel vol te houden?
‘Ja, dat moeten we volhouden. Het kan niet zo zijn dat een huurder klaagt over zijn buurt en zelf geen verantwoordelijkheid neemt. Een oplossing voor een leefbaarheidsprobleem beklijft alleen als die duurzaam is. We hebben tal van voorbeelden gezien waarbij een gemeente of corporatie of welzijnsinstelling met de beste bedoelingen een project startte met buurtbewoners, en zodra die partij een stapje terug deed en de bewoners het moesten overpakken, zakte het in elkaar. Je moet aan de voorkant helder maken dat de bewoners het moeten doen. Neem ontmoetingsplek de Buurtbrök: daarin hebben de bewoners van meet af aan de belangrijkste rol gekregen. Gemeente, welzijnswerk en Woonpunt ondersteunen, maar zijn niet de kartrekkers. Dat zijn de mensen zelf. Zij moeten het draaiende houden. En als ze de ruimte krijgen doen ze dat met plezier.’

Als je naar 2016 kijkt, waar ben je dan het meest trots op?
‘Op de kleine overwinningen. De projecten die misschien heel kleinschalig lijken, maar die o zo belangrijk zijn voor de buurt. In de wijk Brusselsepoort in Maastricht hebben we samen met bewoners alle brandgangen opgeschoond. Wat we daar hebben bereikt, is dat de bewoners het voortouw hebben genomen en wij hen hebben geholpen in plaats van andersom. Ik ben dus vooral trots op die projecten waarbij wij het minst hebben gedaan!’



En jullie hebben in 2016 toch ook al die gesprekken gevoerd met statushouders?
‘Klopt. Het doel was om inzicht te krijgen in hoe gehuisveste statushouders in hun buurten passen. We hebben met tientallen statushouders gesproken en hun buren. Wat we vooral hebben geleerd is dat buren het vervelend vinden als de mensen naast hen de Nederlandse taal niet machtig zijn. Of dat ze met lede ogen moeten aanzien hoe alleenstaande buitenlandse vrouwen vereenzamen. Daarom hebben we ook besloten om het project Match van de Universiteit Maastricht te ondersteunen. Daarbij stellen wij woonruimte ter beschikking voor studenten in buurten waar statushouders wonen. Zij ondersteunen dan vluchtelingen in die buurten met taalles en andere praktische zaken. Een mooi voorbeeld van niet zelf oplossen, maar wel helpen om twee partijen bij elkaar te brengen.’



'Studenten ondersteunen vluchtelingen met taalles en andere praktische zaken.'


Iets heel anders: mensen met psychosociale problemen blijven steeds vaker gewoon in wijken wonen. Dat leidt soms tot overlast. Hoe zwaar weegt dat op jullie werk?
‘Zwaar. Mensen met dat soort problemen hebben vaak ook lage inkomens. Ze zijn dus aangewezen op de goedkopere huurwoningen. Met als gevolg dat die mensen vaak in dezelfde wijken worden gehuisvest. Als je één verwarde huurder in de straat hebt, is dat misschien nog beheersbaar. Heb je er drie dan wordt de druk wel erg hoog. Zeker als in diezelfde buurt al een paar verslaafden, aso’s en criminelen wonen. Dat klinkt cru, maar het is de realiteit in sommige straten.’

Wat is dan de oplossing?
‘Mijn persoonlijke mening? Spreiden. Ook in straten waarin duurdere huurwoningen liggen. Dan verlagen we in die paar woningen maar de huur. Dat is een kleine prijs om de concentratie van problemen tegen te gaan.’

Je zei eerder: het kan niet zo zijn dat een huurder ergens over klaagt en zelf geen verantwoordelijkheid neemt. Maar je kunt van een bewoner toch niet verwachten dat hij zelf eens gaat praten met zijn psychotische buurman?
‘Nee, natuurlijk niet. Als wij een signaal krijgen uit de buurt dat het echt niet goed gaat met iemand, dan vragen onze medewerkers door. Ze hebben allemaal een training gehad om de signalen van bijvoorbeeld psychotisch gedrag of dementie te herkennen. In zo’n geval schakelen we meteen zorgpartijen in.’

Hoe verloopt de samenwerking met bewonersoverlegcommissies?
‘Ook daar zie je een verschuiving optreden van zij-vragen-wij-doen naar samen-bedenken-en-samen-doen. Maar het kan van beide kanten beter.’

Hoe bedoel je?
‘Bewonersoverlegcommissies mogen echt niks meer over de schutting gooien. We zijn samen verantwoordelijk voor een complex. Als Woonpunt iets doet om een probleem op te lossen, verwachten wij ook iets van de bewoners. Aan de andere kant zouden wij binnen Woonpunt de bewonersoverlegcommissies wat minder vaak als een bedreiging of last moeten zien. Dit zijn onze ogen en oren in de wijk. Daar mogen we best vaker gebruik van maken.’

Hoe bijvoorbeeld?
‘Nou, je hebt bij woningcorporaties zoiets als complexbeheerplannen. Daarin beschrijf je wat je op langere termijn met een bepaald complex van plan bent. Dat relateer je aan je vastgoedbeleid, je wensportefeuille en je begroting. Sommige corporaties geven de bewonersoverlegcommissies daarin een rol, als klankbord. Woonpunt heeft daar niet voor gekozen en dat vind ik jammer. Ik begrijp best dat het op de korte termijn lastig kan zijn, want bewoners kunnen best anders tegen hun complex aankijken dan wij als verhuurder, maar op de langere termijn heb je er alleen maar profijt van. Je weet meteen wat bewoners van hun complex vinden, waar zij vinden dat de verbeterpotentie zit en als je dan op termijn iets gaat doen, heb je ook meer draagvlak.’



Zelfredzaamheid en betrokken huurders

Zijn we tevreden?

Zelfredzame en betrokken huurders
Samenwerking met de bewonersoverlegcommissies
Inzet van wijkbeheerders op schoon, heel en veilig


Wat gaat goed?

  • Samenwerking van onze wijkbeheerders met politie, zorg- en welzijnsinstanties, bewoners en gemeente in de Veilige Buurten Teams (Maastricht) en de Buurtteams Plus (Heerlen).
  • Samenwerking met netwerkpartners om problemen in een vroeg stadium te signaleren en te voorkomen i.p.v. op te lossen.
  • Het aantal betrokken bewoners in wijken/buurten dat een actieve bijdrage levert aan de leefbaarheid buiten formele bewonersoverlegcommissies stijgt.


Wat kan beter?

  • Samenwerking met bewonersoverlegcommissies. Wat we hebben afgesproken doen we goed, maar de ambitie is hoger. Met name als het gaat om zelfredzaamheid van bewoners in complexen. Woonpunt bekijkt samen met bewonersoverlegcommissies hoe we daar samen aan kunnen werken.
  • In 2016 zijn alle wijkbeheerders opgeleid om huurders te betrekken bij en aan te spreken op schoon, heel en veilig in de buurt. Daarbij stonden vooral communicatie en de omgang met huurders met psychische problemen centraal. De wijkbeheerders komen van ‘een probleem constateren en oplossen’ en gaan naar ‘een probleem constateren en de verantwoordelijke bewoners erop aanspreken’. De basis is gelegd. Vanaf 2017 moeten we hier de resultaten van terugzien.
  • Woonpunt heeft nog geen uitgewerkte visie op de mate van zelfredzaamheid van bewoners, de rol die huurders kunnen spelen in beleidsparticipatie en de rol die Woonpunt zou moeten vervullen in het sociale domein. Hoe ver moet en kan dat gaan?